33.
Zóó spreekt de grijze; en rug en hoofd gebogen,
Dringt Solyman in de enge steenrotskrocht,
En volgt zijn gids, waar nooit van 's hemels boogen
In de eeuwge nacht een lichtstraal vallen mocht.
Toch rijst allengs 't verwulfsel naar den hoogen:
De gang verbreedt, en vlugger gaat de tocht -
Tot ze elken stap al luider hooren kraken,
En 't middenpunt der steenen groef genaken.