34.
Een kleine poort deinst knarsende op het staal
Der hengselen - daar stijgen wenteltrappen,
Met puin bestrooid, beschenen door een straal,
Die schuchter uit een oopning schijnt te ontsnappen.
Zij treden uit een onderaardsch portaal
Een pronkzaal in, waar honderd toortsen knappen,
En, moedloos met zijn moedelozen Raad,
De Koning throont met wrong en plechtgewaad.