91.
Maar kort daarop ontwaakt zij uit haar droomen,
Als troostte haar een hemelsch heilgezicht:
Heur voorhoofd heeft zijn helderheid hernomen,
Zoodra zij 't woord tot haar aanbidders richt;
En 't lachjen om de fijne purperzoomen
Der lippen, en die blik vol zonnelicht,
Doortintlen als een dubble lentemorgen
Het nevelfloers der opgetaste zorgen.