61.
En toch! al is ze in list volleerd, en stroomen
Vernuft en geest haar lieve lippen af,
Al blinkt zij van een schoonheid, zoo volkomen
Als nooit Natuur een vrouw tot wapen gaf,
Die helden wiegt in weelderige droomen,
En koel maakt voor 't geschonden Christusgraf: -
Geen Godefried laat zich door woord of blikken
In 't weefsel der verleideres verstrikken.