24.
Al wat er grootsch in Reinouts boezem slaat,
Zijn moed, zijn deugd, zoo fier en edelaardig,
Wordt door Gernant geschandvlekt of gesmaad,
Wordt afgeschetst als schuldig en onwaardig.
En schoon 't gerucht zijn vijand niet ontgaat,
Hij lastert voort, vermetel en lichtvaardig,
En machteloos de blinde grimmigheid
Te teugelen, die hem den dood bereidt.