57.
Ik, heette 't, ik had Aront aangedreven
Zijns Meesters dronk te mengen met venijn,
Om, door zijn dood van allen dwang ontheven,
Te pronken in zijn koninklijk satijn,
In d' arm der weelde ontuchtig voort te leven,
En duizenden tot minnaress' te zijn....
O, dat een straal des hemels mij verplette,
Eer ik, o Deugd, uw reinheid ooit besmette!