80.
- ‘Gij, wie ge ook zijt, die dus uw prooi verguist!
Niet lang zult gij uw zegepraal genieten!
U wacht mijn lot: een nog geduchter vuist
Dan de uwe thands, zal straks uw bloed vergieten! ....’
Maar de andre lacht: - ‘Wannéér mijn ziel verhuist,
Zij 's Hemels zorg! des moetge u niet verdrieten!
Gij gaat de wolven mesten!’ - Uit de wond
Trekt hij het zwaard; en de andre - sterft terstond.