61.
Zoo zijn we in 't eind genaderd tot de zoomen,
Waar 't schandlijk volk in 't groot vergeldingsuur
Gods solfergloed ten hemel uit zag stroomen,
Tot wrake der beleedigde natuur.
Eens bloeide 't Land - zijn bloei is weggenomen,
Zijn groeikracht is verstikt door 't zwavelvuur;
Een doode zee verpest er met haar walmen
De lucht, waar nooit gewiekte zangers galmen.