32.
Gelijk de straal kristal noch water scheidt,
En toch een weg door beide weet te vinden:
Zóó glipt de vuurblik der begeerlijkheid
De sluiers in, die 't heimlijk schoon omwinden,
Terwijl hij in den lusthof zich vermeit
Van wondren, die vervoeren en verblinden;
Tot straks - de borst verteerd wordt door een gloed,
Die rustloos met de fantazy zich voedt.