4.
Daar stijgen ze uit de diepste Helleslond',
De Goôn der Nacht! .... Hoe vreeslijk! hoe wanschapen!
Zij slaan verwoed de moordzieke oogen rond,
Die bloedig in de diepe kassen gapen.
Zij haken met hun klaauwen in den grond:
Een addrennest woelt wriemlende om hun slapen,
En zweepend sliert een kronkelende staart
Hun lendnen rond, met rossig dons behaird.