52.
Als hij zoo spreekt, slaat hij met wild gebaar
De rechtervuist aan 't rammelend geveste.
Zijn taal, zijn blik, verstomt, ontzet die schaar,
Zóó bleek of haar geen enkle bloeddrop restte.
Toch vlood de wolk dat grimmig wenkbraauwpaar,
Een glimlach zelfs gaf hij den vorst ten beste,
Bij 't woord: ‘Houd moed, mijn Koning! Gord u aan!
Want Solyman zal u ter zijde staan!’ -