68.
Klorinde volgt, al even wild, zijn schreên,
Van lijken en verstrooide leên omgeven.
Een Berlinger stoot zij de borst van één,
En treft hem in den zetel-zelv' van 't leven,
Met zulk een kracht, dat, door de wervels heen,
De roode vlijm ten rugge is uitgedreven.
Een Gallus gruist haar wichtig zwaard den kop,
Albinus rijt zij de ingewanden op.