41.
Nu proeft hij, van vertwijfeling aan 't branden,
En radeloos, een allerlaatsten slag:
Daar ligt zijn schild! en met de beide handen
Omklemt hij 't zwaard, dat nog geen bloeddrop zag:
Hij waagt het, zelf zijn vijand aan te randen;
En met een kracht waartegen niets vermag,
Doet hij zijn zwaard zóó vreeslijk nederploffen,
Dat Tankreds heup op 't pijnlijkst wordt getroffen.