28.
Maar duizend zwaarden vliegen uit de scheê,
En doen een hageljacht van vonken springen: -
De menigte, als een opgezette zee,
Stormt aan in horden die elkaâr verdringen.
De lucht beeft, en de bodem siddert meê
Van 't woest getier en 't kletteren der klingen.
Zóó dreunt het strand, met flikkrend schuim besneeuwd,
Wanneer de rukwind boven d' afgrond schreeuwt.