6.
Daar glipt op nieuw het traantjen langs heur wang....
Maar plotsling treft een zoet gerucht hare ooren:
Het klinkt haar als een blijde herderszang,
Waarbij 't gefluit der veldpijp zich doet hooren.
Nu rijst zij op, en gaat, maar gaat niet lang,
Of ziet een grijze in 't lommrig groen verloren,
Die korven vlecht: een lammrenkudde springt
Rondom hen heen, een drietal knapen zingt.