62.
Hij komt, en vaagt met wapperende schacht
De nevels weg die voor zijn oogen scheemlen.
De glans van zijn gelaat verguldt den nacht
En geeft het Stof een weêrschijn van Gods Heemlen:
Zóó doet de zon de zevenvoude pracht
Der Iris op de regenwolken weemlen;
Zóó valt een star, verschietende uit haar sfeer,
Weêrlichtende in den schoot der Moeder neêr.