37.
- ‘Is dan mijn vuist,’ brult hij zijn vijand tegen,
‘Zóó zwak en zóó verachtlijk, o Barbaar!
Dat zij u niet tot woede kan bewegen?
Of beeft gij voor den grijzen worstelaar? ....’
Hij zwijgt, en hakt met bliksemenden degen
Scharnieren los en malies van elkaâr,
Grieft Solyman de heup, en juicht van woede
Als hij zijn staal terugtrekt, rood van bloede.