48.
Zegt, dat hem straks in 't krimpend ingewand
Nog beter blijk dier waarheid zal verblijden!
En zoo hij mart, zal deez' mijn rechterhand
In eigen tent zijn levensdraad doorsnijden!’ -
Dat hoort de Christenschaar, en knersentandt,
Wedijvrend om den snoever te kastijden.
Vergeefs! hij jaagt met al de zijnen voort,
Bereikt de stad, en - staat reeds bij de poort.