3.
Een pijlenjacht moge om zijn slapen sissen,
Een lansenwoud rondzwiepen op zijn schreên.
Door 't Lot beschermd, vliegt hij door duizend flitsen
Door zwaard en lans en grimmig moordtuig heen:
Hij dwaalt in 't rond door sombre wildernissen
En kronkelpaân, verlaten en alléén,
Geslingerd in een maalstroom van gepeizen,
Besluiteloos wáár eindlijk heen te reizen?