83.
- ‘Ik!’ dondert Rambout hem verwoed in de ooren,
En vliegt metéén schuimbekkende op hem aan:
Dat wachtte Eustaats: hij geeft zijn ros de sporen,
En trekt het zwaard.... Maar eer hij toe kan slaan,
Daar wenkt de Hartvoogdesse, en legt hun toren
Aan teugels: - ‘Ach,’ zoo smeekt zij, met een traan,
‘Heer Rambout, sta! 't Moest U als mij verblijden,
Dat andren ook zich tot mijn hulpe wijden!