29.
Geen Cyprus, en geen Delos aan zijn zoomen,
Heeft schooner vorm in rijker tooi aanschouwd.
Heur lokken, waar zij 't nijdig gaas ontstroomen,
Weêrschitteren als fijn gesponnen goud.
Dus straalt de zon, zeeghaftig opgekomen,
Door 't wolkjen heen, dat half heur licht weêrhoudt;
Maar 't wolkjen wijkt, en de opgeklaarde transen
Ontfangen heel de volheid harer glansen.