31.
Die Vorst, om zijn hardnekkig volk te dwingen,
Groefde in den berg dien rotsgang, om weldra
Van uit de Burcht - naar een der gunstelingen
Begiftigd met den naam Antonia -
Naar 't heiligdom des Tempels door te dringen:
Geen menschlijk oog sloeg op dien weg hem gâ,
Waar langs hij vrij zijn troepen binnenvoerde,
Als de oproergeest Jeruzalem beroerde.