48.
Meen niet, dat gij den doodslaap in zult gaan:
Een leven zult ge in 't levend graf doorwaken!’ -
Hij andwoordt niet, maar pijnlijk aangedaan,
Voelt hij in 't hart den vlijm des jammers haken.
Stilzwijgend klaagt hij 't lot, zijn dwaasheid aan,
Zijn liefde en hen die hem rampzalig maken:
- ‘Ach,’ fluistert hij, ‘mijn last zou draaglijk zijn,
Derfde ik alleen des hemels zonneschijn: