21.
Die rept zich nu zijn rusting aan te trekken:
Dat ziet de Vorst; hij wenkt Klorinde, en zegt:
- ‘Wel zou het ons tot eeuwige oneer strekken,
Zoo hij alléén daarheen trok ten gevecht.
Met duizend man zult gij den Ridder dekken,
En waken voor het heilig Volkenrecht!
Maar hij-alléén mag in dien strijd zijn lauwren
Vermeerdren: gij en de uwen blijft aanschouwren!’