29.
De bode doet zijn schelle horen schallen,
De valbrug daalt. Hij spreekt: - ‘Wil binnentreên,
O Christenheld! de nacht is ingevallen:
Hier vindt ge rust voor de uitgeputte leên.
Cosenzaas graaf veroverde deez' wallen
Eergistren op den laffen Saraceen.’ -
De Ridder ziet de breede ravelijnen
En hooge muren, die onneembaar schijnen.