71.
En zij verdeelt de drukjens heurer vingren,
Heur lachjens en heur lonkjens zóó om strijd,
Dat hoop en vrees om beurt de harten slingren,
En iedereen door allen wordt benijd.
De gantsche schaar der dwaze mededingren
Geeft, schaamteloos en Godfrieds raad ten spijt,
Vrijwillig in de netten zich gevangen
Door een Sireen bedrieglijk uitgehangen.