71.
Niets hoop ik meer: onvruchtbaar zijn mijn kreeten;
Geen smeekgebed vindt meer den weg naar 't hart.
Zal ik misschien des dwingelands geweten
Vermurwen, waar Gij koel bleeft voor mijn smart?
Toch wil ik U niet onbarmhartig heeten,
Omdat me uw hulp zoo gantsch onthouden werd:
Ik klaag den Hemel aan, die mij verzaakte,
En zelfs úw deernis onverbidlijk maakte!