41.
Verliet ze nu de Perzen, honderdmalen
Heeft ze elders op de Christenen gewoed,
Hun lijkgebeent' doen bleeken in de dalen,
Den blanken stroom gepurperd met hun bloed.
Zij komt, en ziet de doodelijke stralen
Rondspatten uit den wilden mutsertgloed:
Zij wenscht iets meer van 't schuldig paar te hooren;
En zet zich schrap, en geeft het paard de sporen.