81.
Ha! nimmermeer zal Frankrijk ons verwijten,
Of wie nog hecht aan moed en manneneer,
Dat blanke Deugd vergeefs om hulp moest krijten
Voor 't aangezicht van heel een Christenheir!
Mijn oorlogspronk wil ik aan flarden rijten,
Hier werp ik helm en ijdle wapens neêr,
Naar zwaard noch ros zal ik de hand meer strekken, -
'k Wil niet ontaard den Riddernaam bevlekken! ....’