46.
Niets evenaart zijn gramschap dan alleen
De taaie krachten die zijn spieren stalen:
Hij zwiert het zwaard zóó woest rondom zich heen,
Dat de aarde beeft, de hemel gloeit van stralen:
De Ridder heeft geen tijd tot aanval, geen
Tot tegenweer, schier geen tot ademhalen:
Niets dat hem voor de ontembare overmoed
En sterkte des Cirkassiërs behoedt.