30.
Zijn slaande hand, waarin de slagaâr bruist,
Hoe toornig ook, weet meesterlijk te mikken:
Zij treft Gernant nu rechts dan links, vergruist
Hem ribbe en rug, en doet zijn kniën knikken.
Zóó snel en zóó onstuimig is zijn vuist,
Dat zij de kunst beschaamd doet staan, de blikken
Verwart, en vaak met onbehouên kracht
Verwondt waar 't minst een wonde werd gewacht.