12.
Hier zweeg Eustaats; maar bij het laatste woord
Werd zijn gelaat met purper overgoten.
Glimlachend heeft hem Reinout aangehoord:
Hij ziet waartoe zijn makker is besloten.
Maar Amors pijl, die dezen had doorboord,
Was op de schors zijns harten afgestoten:
Zoodat hij naar geen medeminnaar vraagt,
Noch naar 't gelei der vreemde Jonkvrouw jaagt.