30.
Bedenk ik wel de tweedracht en den smaad,
Die ge, als om strijd, gesticht hebt en gedragen,
Uw onwil en verdeeldheid in den Raad,
Die 't hart verkoelde en d' arbeid deed vertragen,
'k Behoef dan naar 't beginsel van dien haat,
Die wanorde en miskenning, niet te vragen:
Zij wortelt in 't verbrokklen van 't gezag,
Dat ieder voert en - elk verwerpen mag!