68.
- “Ge ontfingt dan nu een proeve mijner macht!
Uw wil bezwijkt voor mijn geducht vermogen:
Één wenk van mij - daar ligt ge in de eeuwge nacht
Eens kerkers voor uw leven neêrgebogen!
Daar vliegt ge rond op donzen vogelschacht!
Daar heft ge als boom uw takken naar den hoogen,
Of hardt tot steen, of smelt tot kristallijn,
Of wroet in 't slijk als borstlig everzwijn!