28.
Nu klimmen ze af: één woord, de kar verdween.
Zij wandlen, steeds door de eigen wolk omgeven;
De weg gaat linksch en kronkelt naar beneên,
Een bergkloof in, met kreupelhout doorweven.
Daar rijst in 't eind de Sion, reus van steen,
Die 't voorhoofd naar het Westen houdt geheven.
Hier blijft de grijzaard eensklaps staan, en tuurt
Als zocht hij iets bij 't hoekig rotsgemuurt'.