68.
Dies, eer een spiê, of 't klappen van de faam,
De mare van mijn naadring mocht verbreiden,
Roep, bid ik U, een handvol helden saam',
Die op den weg grootmoedig mij geleiden!
Was ooit gebed der Godheid aangenaam,
Mocht de Onschuld ooit des Hemels hulp verbeiden,
Dan breng ik ras den Dwingeland ten val,
En blijf steeds uw leenplichtige vazal!’ -