106.
Zoo spreekt zij, niet vermoedende in haar waan,
Wat lijdenskelk haar reeds is ingeschonken.
De stralen der verraderlijke maan
Bestrooien haar met duizend tintelvonken:
Zoo kon men op een afstand haar zien staan,
Van 't sneeuwwit kleed en spieglend staal omblonken;
Ja, op den helm het grimmig tijgerbeeld
Herkennen, waar een zilvren vlam op speelt.