17.
De Sultan, met gefronste wenkbraauwboogen,
Ziet nú de wolk en dán den wagen aan,
Slagboomen door en hoogten op gevlogen,
Als ging het langs een spiegelgladde baan.
De grijzaard leest uit zijn verstarrende oogen
Den schrik, waarmeê zij 't wonder gadeslaan:
Dies haast hij zich, de stilte te verbreken,
Tot de andere nu moed vindt om te spreken: