38.
't Gevaar neemt toe. - Daar snelt door poort en straat
Een ruiter aan. Gelaat en houding spreken
Van fieren moed; en 't vreemde krijgsgewaad
Verraadt een tocht uit afgelegen streken.
De tijgerwulp, zijn kopren helmsieraad,
Trekt aller oog. Ontzachlijk oorlogsteeken,
Waarmeê Klorinde elk slagveld binnen rent! ....
Men gist haar naam, men raadt, zij is herkend.