79.
Zij gaat, de sluwe! en voert, aan zijden toomen,
Als in triomf, haar tien gevangnen meê.
Wie achterblijft, voelt zich de rust ontnomen,
Geslingerd als een opgezette zee.
Maar als de nacht de luchtgewiekte droomen
Doet fladdren om de stille legersteê,
Haast zich een drom van Ridders, bij de stralen
Der bleeke maan, de Jonkvrouw in te halen.