42.
Nooit, nooit misschien waar' hij meer opgestaan,
Maar Reinout ook stort met zijn klepper neder;
Hij poogt den voet van 's beugels boei te ontslaan,
Herrijst, maar ziet zijn kampioen niet weder.
Heel 't Heidensch rot ontwijkt de worstelbaan,
En wemelt stadwaards als op arendsveder.
Klorinde-alléén weêrhoudt een wijl den vloed
Der Franken, die hen op de hielen spoedt.