11.
De kinderkens, en de ouderen van dagen,
De vrouwenschaar, verbleekende onder 't wee,
Wat slaan kan noch beschermen tegen slagen,
Schuilt biddend saam' in koepel en moskee.
Maar al wie maar een wapentuig kan dragen,
Rukt onverwijld het slagzwaard uit de scheê,
De een snelt ter poort; een ander naar de wallen -
De Vorst gaat rond, en zorgt voor elk en allen.