31.
Blank als de sneeuw der blanke heuveltoppen,
Weêrblinkt die hals van levendig ivoor:
Het kleed omfloerst de purpren tweelingknoppen
Van 't boezemdons, en stelt het oog te loor:
't Verlangen, dat d' aanschouwer 't hart doet kloppen,
Dringt niettemin het teêr omhulsel door,
En zoekt er, met het zichtbre niet tevreden,
De weelde der bedekte aanvalligheden.