89.
Maar waagt zich een, van zooveel schoonheid dronken,
In blinde drift vermetel buiten 't spoor,
Dien tempert zij de weelde harer lonken,
Tot de eerbied keert, dien hij te ras verloor.
Toch speelt altijd, van zachten glans omblonken,
Een zweem van gunst de wolk van 't voorhoofd door,
Opdat de vrees hem niet wanhopend make,
En door haar trots zijn lust te feller blake!