40.
Ras dekt hij zich, en echter niet zóó ras,
Dat hij een nieuwen aanval kan voorkomen.
Zijn beuklaar is gespleten, zijn kuras
Doorboord, zijn helm bespat door purpren stroomen.
Als ooit een kampioen onkwetsbaar was.
Zijn vijand is 't! .... De moed is hem benomen;
Hij beeft, en voelt in zijn verbrijzeld hart
Spijt, wroeging, schaamte en dolle minnesmart.