31.
Maar als een rots, die alle stormenheiren,
De gramme zee, die aan heur voeten ziedt,
De donders en de orkanen blijft braveeren,
En 't weêrlicht sart, dat uit de wolken schiet:
Zóó staat de onwrikbre Sultan, die de speeren
En zwaarden een metalen voorhoofd biedt,
En d' armen knaap, te onstuimig aangevlogen,
't Gelaat klooft tusschen mond en wenkbraauwboogen.