35.
De Tweedracht zou rinkinken allerwegen,
Waar 't Recht niet meer het zwaard hield uitgestrekt! ...’
Hij plengt den doode een malschen woordenregen:
Niets wordt gespaard wat rouw en deernis wekt.
Maar Tankred spreekt hem onverschrokken tegen,
Die, vrank en vrij, de bron der twist ontdekt.
Buljon hoort toe; maar wie er hopen mogen,
't Blijft nacht op zijn gefronsde wenkbraauwboogen.