52.
Zij zwijgt; en hij, ofschoon zijn stug gemoed
Zich noode buigt tot sparen of vergeven,
Neigt willig 't oor, en keurt haar gronden goed,
Door eigenbaat tot zachtheid aangedreven.
‘Zoo stel' men dan die Twee op vrijen voet!
Gij bidt voor hen - wie kan uw beê weêrstreven?
Genade of recht, ik vraag niet wat het zij,
'k Laat de Onschuld los, of - spreek de Misdaad vrij!’ -