33.
Wel heeft Sabijn de lans omhoog geheven,
Maar woedend klieft de Sultan die van één:
De jongling is ten zadel uitgedreven,
En stuiptrekt, door den paardenhoef vertreên.
De ziel ontvlucht met bitter tegenstreven
De teedre borst, en scheidt in klaaggeween
Van 't lieve licht, de vriendelijke dalen,
De blaauwe lucht en 's levens lentestralen.