84.
Toen, zegt men, stond voor aller duizlend oog
Een Cherubijn, gepantserd, fier van trekken,
En zwaargefronsd van wenkbraauw, die zich boog
Om Godfried met zijn hemelsch schild te dekken,
En in zijn hand een vlammend zwaard bewoog,
Nog overspat van versche purpervlekken:
Het bloed misschien van volkren, lang gespaard,
Maar eindlijk door Gods wraak verdelgd van de aard.